Genealogie van de familie Britsemmer
"Maar eenmaal komt de tijd, dat we de rotzooi gaan verlaten. Vervloekt zij het regiment, lang leve de soldaten". Zo zongen de dienstplichtigen in onze tijd. Mijn vroegste voorvader en een van zijn zonen waren ook soldaat. Niet dienstplichtig maar beroeps. Of ze ook zo tegen het soldaat-zijn aankeken als de dienstplichtigen van tegenwoordig weten we niet. Wat weten we wel van Presamer en zijn nazaten?
Mijn vroegst bekende voorvader is, zoals U op de stamboom kunt zien, Hendricus Presamer. Hij is geboren omstreeks 1730, zeer waarschijnlijk ergens in het tegenwoordige Duitsland, maar ik weet nog niet waar. In Duitsland heerste in die tijd bittere armoede en veel mannen, met name op het plattenland, moesten uit pure noodzaak dienst nemen om nog enigszins in hun onderhoud en dat van hun gezin te kunnen voorzien. Mogelijk gold dat ook voor Hendricus Presamer Ik weet het (nog) niet. Ik kom pas wat zaken over Hendricus aan de weet als hij in Leeuwarden woont. De Republiek der Verenigde Nederlanden heetten we toen officieel. In een extract uit een register van de burgerlijke stand van Leeuwarden waaruit blijkt dat daar op 10 juli 1765 is geboren Johannes, wettige zoon van Hendrik Presamer en van Magdalena Wirt. Dit Extract is afgegeven op 9 juni 1815. In die tijd was er nog geen sprake van een echt landleger. Soldaten traden niet in dienst bij het Nederlandse of het Duitse leger, maar bij een bevelvoerder van een regiment, vaak een kolonel. Zo'n kolonel was als het ware een kleine zelfstandige die zijn eigen soldaten moest werven, kleden en uitbetalen. Hij "verhuurde" zichzelf met zijn regiment dan aan één van de gewesten die onderdeel uitmaakten van de Verenigde Nederlanden. Bij het werven van manschappen maakte het zo'n kolonel meestal niet veel uit welk land je kwam of wat bijvoorbeeld je geloofsovertuiging was; als je recht van lijf en leden was werd je aangenomen. Zo bestonden dus de regimenten van het leger van de Republiek uit verschillende nationaliteiten, en dan bedoelen we dus de"eigen" regimenten van de Republiek. Want naast het fijt dat de kolonels behalve in eigen land ook driftig over de grens hun mensen wierven gebeurde het ook dat de Republiek overging tot het aankopen van complete buitenlandse regimenten. Dat gebeurde als het land er weer eens slecht vóór stond en men het leger na een periode van verwaarlozing eens stevig uit wilde breiden.
Uniformen en soldij
De voorschriften voor de uniformen waren vrij algemeen en veel ten aanzien van de afwerking werd aan de smaak van de kolonels over gelaten. Deze kolonels moesten regelen dat hun manschappen één maal per twee jaar in mei van nieuwe uniformen werden voorzien. Overigens werden de kosten voor de uniformen ingehouden op de soldij. Dat brengt mij bij de vraag wat deze soldaten verdienden. Om die vraag te beant- woorden ga ik wat citeren uit 'De militie van Hetden staat'' leger van de republiek van de verenigde Nederlanden' van Dr. H.L. Zwitzer." Een soldaat ontving per 42 dagen, twaalf gulden en vijf stuivers of, afgerond, zes stuivers per dag. Dit lijkt aanmerkelijk minder dan de verdiensten van dagloners in de Republiek die gemiddeld twaalf stuivers per dag verdienden. Men dient er echter rekening mee te houden dat in ieder geval de soldij een continu inkomen betekende terwijl dagloners ontslagen werden als het werk voltooid was. Soldaten moesten zelf in hun kost voorzien. Soldaten werden ook gekort zoals hierboven reeds gemeld, wegens de aan hen verstrekte uniformkleding en plunje. Netto hielden soldaten 4 stuivers per dag over. Die inkomsten konden worden verhoogd met de opbrengst van de loonwachten, een vergoeding die werd betaald voor het overnemen van een wachtbeurt en die voor een soldaat zeven stuivers bedroeg. Bovendien bestond voor soldaten de mogelijkheid tijdelijk werkzaamheden bij burgers te verrichten. Hiervoor konden, voornamelijk tijdens de wintermaanden, per compagnie vier zogenaamde werkpassen worden uitgereikt die een geldigheidsduur hadden van zes weken. Houders van zo'n pas mochten zich niet verder dan zes uren gaans van het garnizoen verwijderd houden; overtreding zou met spitsroeden worden gestraft. In oorlogstijd kon een soldaat ook nog een wisselend inkomen verwerven uit buit en plundering als hij in vijandelijk gebied verkeerde, maar daaraan kwam in de 18e eeuw langzamerhand een einde." Met zijn zes stuivers plus bijverdiensten kwam de soldaat waarschijnlijk toch niet aan het inkomen van een dagloner, maar hij had wél een continue verdienste. Overigens is de hoogte van de soldij gedurende ± 200 jaar(!) vrijwel ongewijzigd gebleven. Da's tegenwoordig wel anders.